


De ruimte was tochtig en vochtig, dat kwam ook doordat de lijnbanen allemaal door sloten van elkaar gescheiden waren.
Door op een pot met gloeiende kolen wat turf te leggen konden de baanders het een klein beetje warm stoken. Die warmte was echter onvoldoende om de kou te verdrijven. Ook voor de volwassenen was het geen pretje om op de koude looppaden te werken. Voor de kinderen was er nog ander werk, zoals het pluizen van touw, als felle kou of sneeuwjacht het werk belemmerde.
Omstreeks 1860,1870 was de zeilvaart nog zeer belangrijk. Men wist te bewerken, dat veel versleten touwwerk, dat van zeilschepen afkomstig was, aan de bazen werd verkocht. Het werd dan gekookt en vervolgens in zakken gestopt. De arbeiders konden een zak met nat touw meenemen naar huis, waar de kinderen de taak kregen het natte touw zo vlug mogelijk te pluizen. Als ze daar mee klaar waren werden de touwvezels thuis aan de lage zolderingen van alle kamers opgehangen om te drogen. Wie een zak gevuld met geplozen en gedroogd en geplozen touw inleverde kreeg een gulden. Met dit geplozen touw werden later de naden tussen de planken van de houten zeilschepen gedicht, wanneer ze werden gekalefaterd. Aan het pluizen hadden de kinderen de handen vol. Gemiddeld verdienden de meeste gezinnen maar een tot 3 gulden per week aan dit werk.
En ook al waren de kinderen doodziek, werden zij toch naar de lijnbaan gebracht. De Staatscommissie rapporteerde in 1864daarover: "De nood dwingt daartoe, niet de liefdeloosheid van de ouders".
De reden van deze schijnbaar liefdeloze behandeling van de kinderen is te verklaren uit het feit, dat de volwassen arbeider zonder de hulp van een kind niet kon werken. Als gevolg hiervan werd hij dan werkeloos en moest het hele gezin gebrek lijden. Dat er al op zeer jeugdige leeftijd door kinderen gewerkt werd, blijkt uit een overzicht uit 1864, waarin gespecificeerd werd dat het maar liefst om 154 kinderen tot 14 jaar ging: 73 jongens en 81 meisjes.
Een touwslager, lijndraaier, baander of zeeldraaier is een ambachtsman die garens, vroeger meestal van hennep tot touw verwerkt. Sinds het einde van de 19e eeuw is het beroep vrijwel uitgestorven.
De touwslager deed zijn werk in de open lucht, overdekt of in een tentachtig geheel, op een touwslagerij of lijnbaan: een soms wel 300 meter lange, smalle strook grond waarboven vele door een spinner aangeleverde garens, werden uitgeschoren (uitgelopen). Het touw kwam terecht in een "kuil", een nog steeds bestaande lengtemaat voor touw.
Aan een van de uiteindes van de lijnbaan werden de garens in groepjes aan de haken van een een wiel of slagmechanisme (slinger) bevestigd, aan iedere haak een groepje garens. Daar stond ook een teer- en drooghuis.
Aan de andere zijde van de lijnbaan werden de garens allemaal aan de ene haak van de lopende bok vast gemaakt. Deze lopende bok was een karretje met twee wielen en een over de grond slepend uiteinde waarop gewichten konden worden gezet, om zodoende de kracht waarmee de garens in elkaar werden gedraaid te kunnen regelen. Zo kon de kracht waarmee de garens tot strengen worden gedraaid worden bepaald en daarmee de uiteindelijke trekkracht en de stijfheid van het touw. Ook bevond zich aan dit uiteinde van de lijnbaan de klos: een taps toelopend en voor iedere groepje garens ingekerfd stuk hout dat hier de garens uit elkaar moest houden.