Sake Bootsma: een van de laatste Zuiderzeevissers vertelt.
In de Hang Als er in de winters ijs was en er niet gevist kon worden werkte Sake wel in de rokerij. Voor zes of zeven cent in het uur en op lekke klompen. Dat mocht niet voordat je veertien jaar was. Daar werd ook op gecontroleerd. Als de politie in aantocht was ging er een fluitje als sein dat de jeugd weg moest zijn. De agent zocht zeker niet erg goed naar de verstekelingen want als hij had vastgesteld dat er geen overtredingen waren vertrok hij al gauw weer. Een sigaar van de hangbaas kon er dan wel voor die man af. Voor wat hoort wat gold toen dus ook al. Zuiderzeewerken Als de visserij slecht was ging Bootsma zoals velen naar de baggerwerken. Vissers werkten ook mee bij het aan leggen van de Afsluitdijk. Het lijkt wel of Sake daar na zoveel jaren nog geen vrede mee heeft. Je werkte immers mee aan de ondergang van je eigen bestaansmogelijkheden. Dat er voor de vissers en de mensen die in bedrijven werkten die van de visserij afhankelijk waren wat gedaan worden was ook in Den Haag duidelijk. De regering kwam met de Zuiderzee steun wet. Wat dat opleverde was geen vetpot. Bovendien waren de getroffenen afhankelijk van de adviezen die door daarvoor aangewezen plaatsgenoten werden gegeven. Die adviezen waren lang niet altijd onpartijdig en velen die slecht bedeeld werden hebben hier levenslang mee rondgelopen. Een trauma van opgelopen zouden we tegenwoordig zeggen. Tegen de gang van zaken werd ook vanuit Lemmer in Den Haag gedemonstreerd een van de demonstranten was de Lemster dominee Voet.
De visserij Sake Bootsma heeft op heel wat Lemster vissersschepen gevaren. Zijn eerste schipper was Poppe Bootsma uit 't Leeg met de LE.53. Maar deze vertrok naar Harderwijk in verband met de ziekte van zijn vrouw. Voor haar zou een verblijf op de zandgrond beter zijn. Bootsma bleef in Lemmer en vond werk bij Sake Visser van de LE.13 'De Vrije Rus'. Later voer hij nog met Rinze en Roelof Kingma op de LE.88 en bij Jelle Visser (Jelle Bogaard) op de LE.58. Op de LE.4 voer Sake met zijn vader en diens broers Lieuwe en Theunis en op de LE.44 van zijn oom Bouke Thijsseling. Zelf heeft hij ook nog een vergunning voor de visserij gehad. Hij viste toen samen met zijn vader op de LE.56. Dat betekende dat er twee vergunningen op een schip waren en dat mocht niet. Zo raakte onze verteller zijn vergunning kwijt. Die werd volgens een puntensysteem ingetrokken. Er werd nog wel strijd met het ministerie gevoerd om recht te krijgen maar in die tijd bereikte de kleine ondernemer niets tegenover de overheid. Een van de eerste ervaringen met de visserij was toen Sake als oudste zoon met zijn vader moest te 'flodderjen' , dat was vissen onder het ijs. In de 'droge' hoek tussen Kuinre en Lemmer. Onder het vissen zagen zij allemaal mensen naar de kant lopen, de z.g. Zwartedijkers. Voor alle zekerheid stak Bootsma Sr. een haak in een bijt en toen werd het duidelijk: het ijs dreef af! Zij schaatsten weg en kwamen toen voor een brede strook water te staan. Met slee en al moesten zij tot hun middel in het ijskoude water om de wal te bereiken. Aan de andere kant van de dijk lag een brede sloot en zo zijn ze op schaatsen weer thuis gekomen. Toen ze de volgende morgen een kijkje gingen nemen was alle ijs weggedreven. Alles moest aangegrepen worden waar wat mee te verdienen was. Soms gingen ze er met een paar man met de roeiboot op uit. Niet een beetje in de buurt van Lemmer maar echt flinke - tochten. Daarbij moest ook wel eens overnacht worden en dat was niet altijd eenvoudig. Zo vertelt Sake van een tochtje naar Urk waar hij en Meine Oebeles in een oude vissersboot zouden slapen. Die bleek vol met wandluizen te zitten. Niet veel beter was het in Laaxum. Daar zou de nacht in de vroegere schuur van De Rook worden doorgebracht. De ratten maakten het verblijf daar onmogelijk. Kort huwelijk Sake Bootsma is al 55 jaar weduwnaar. Hij was getrouwd met Elisabeth Vlig. In 1944, toen de oorlog bijna op zijn eind liep, werd zij in Sneek in het ziekenhuis opgenomen. Bussen reden er bijna niet meer en dus moesten de reizen voor het bezoek per fiets worden afgelegd. Vrouw Bootsma was nog maar 31 jaar toen zij stierf. Samen met zijn zoon Leeuwke ging Sake verder tot op de dag van vandaag. Alles aanpakken In de oorlogsjaren woonden de Bootsma's op het Turfland. In een woning met een huur van een gulden in de week. In die tijd was Sake vaak op pad met aardappelen en vlees voor de handel. Later is hij ondergedoken om aan de Arbeidseinsatz te ontkomen. De nacht voordat Lemmer bevrijd werd hadden veel mensen een onderkomen in de woning aan het Turfland gezocht. Ook de werkverschaffing heeft Bootsma leren kennen. Zo werkte hij bij de uitbreiding van het oude kerkhof met het hoger gelegen gedeelte. Met een uurloon van 26 cent kon er ongeveer elf gulden inde week worden verdiend. Op zaterdag werd er dan tot half een doorgewerkt. Zijn diensttijd bracht Bootsma door bij de marine. Hij herinnert zich dat hij dan wel eens “Harderwijkers” voor de officieren moest klaar maken. Op een dag moest hij bij de commandant komen. Die vroeg hem of hij niet wilde tekenen om na de dienstplicht vrijwillig bij de marine te blijven. Dat moest eerst thuis overlegd worden maar het commentaar van moeder Bootsma was duidelijk: 'Du tekenst' net hear'. Anekdotes In negentig jaar kan een mens heel wat meemaken en daar kunnen soms mooie verhalen van overblijven. Bij voorbeeld over Theunis Visser (Theunis de Flapper) Deze presteerde het eens om van zee een paar gevangen zeemeeuwen mee te brengen en deze bij de buren in de kamer los te laten. Met alle gevolgen van dien. Dezelfde was op een avond hier in Lemmer aan wal gegaan en 's nachts niet weer komen opdagen. De mensen van het schip waren druk aan het zoeken maar ondertussen werd Theunis in het vooronder van de LE.58 gevonden. De schipper er naar toe. Toen hij hem wakker maakte zei hij: 'Wy tochten dat Jo forsopen wienen!' 'Och ferrek, ik liz hjir ommers lekker droech,' was het antwoord. Een ander sterk verhaal komt uit de oorlogsjaren. Er lag een schuit met kolen voor de Duitsers bij de Chr. ULO school aan de Langestreek. Daar moest eigenlijk wat voor de kachels van Bootsma en zijn buurman bij weggehaald worden. In de nacht werd met een van Meinte v.d. Bijl 'geleende' boot de Zijl roede overgestoken. De nodige kolen werden ingeladen maar toen bleek de boot lek te zijn. De terugweg kon niet meer helemaal volbracht worden. Een stukje van de wal af zonk de boot. In donker werd hij weer boven water .gebracht en er werd gezorgd dat de kolen in veiligheid kwamen.
|
|||